https://villa-augustus.nl/oogst/post/136-klaas-gubbels-dagboek-achteraf

Klaas Gubbels: Dagboek achteraf

16 juni 2019

Klaas Gubbels is dit jaar vaker dan ooit in Rotterdam te zien, want zijn geboortestad eert de kunstenaar met een aantal exposities en bijzondere uitgaven ter gelegenheid van zijn 85-ste verjaardag. Er hangen werken van hem De Bijenkorf en grandcafé Dudok. Tot 21 augustus zijn vroege schilderijen van Gubbels te zien in zojuist geopende Wally Elenbaas Museum op Katendrecht.

In oktober organiseert Galerie Christian Ouwens een dag waarop Gubbels er in aanwezigheid van het publiek houtdrukken komt maken, die dan ook ter plekke kunnen worden aangekocht. In november volgt een tentoonstelling bij Walgenbach Art & Books. Gubbels zelf heeft onlangs twee litho’s (‘De Hef’ en ‘De Brand van Rotterdam’) uitgegeven die zijn hechte band met de stad onderstrepen. En ook verscheen er recent een fraai boekje waarin de schilder en beeldhouwer terugblikt op zijn jeugd in Rotterdam.

De kroketten in het restaurant…

Klaas verhuisde al rond zijn twintigste met zijn moeder en broer en zus naar Arnhem, maar heeft in de decennia nadien zijn sporen in Rotterdam achtergelaten. Tot halverwege de jaren tachtig gaf hij nog elke week les aan een opeenvolgende generaties kunstenaars aan de Willem de Kooning Academie. Museum Boijmans Van Beuningen heeft werk van hem in zijn vaste collectie. Er staat een beeld van zijn hand op de Provenierssingel, en verreweg het bekendst bij Rotterdammers is natuurlijk zijn muurschildering ‘De kroketten in het restaurant zijn aan de kleine kant’ in Hotel New York, een hommage van Gubbels aan de Rotterdamse dichter Cor Vaandrager. 

Klaas thuis in de Van Lawick van Pabststraat in Arnhem 

Die muurschildering kwam er in 1993 op initiatief van de toenmalige eigenaren van Hotel New York, Daan van der Have, Hans Loos en Dorine de Vos, die in 2007 ook Villa Augustus oprichtten. Voor de tuin van hun Dordtse hotel-restaurant kochten ze een nieuw werk van Klaas. Een sculptuur van de iconische koffiekan die hij in meer dan een halve eeuw in honderden, zo niet duizend verschillende gedaanten heeft geschilderd, getekend, geëtst en gebeeldhouwd, zonder dat hij zijn fascinatie voor die vorm ook maar een moment heeft verloren. 

Een overrompelende ervaring

Dat van zijn bewonderaars hetzelfde kan worden gezegd, mag blijken uit het feit dat de doeken, litho’s, tekeningen en beelden van Klaas bij verzamelaars onverminderd geliefd blijven. Ze zijn op veilingen en in galeries nog relatief gemakkelijk en, in geval van de litho’s, ook tegen betaalbare prijzen te vinden, terwijl op zijn beurt de kunstenaar nog elke dag nieuw werk aan zijn omvangrijke oeuvre toevoegt. Een bezoek aan Klaas in Arnhem is niet alleen daarom een overrompelende ervaring. Behalve zijn eigen kunst heeft hij er doeken en objecten samengebracht van alle beroemde kunstenaars met wie hij gedurende zijn lange leven bevriend raakte. 

Uitzicht vanuit het atelier op De Lichtenbeek

In zijn woonhuis aan de sjieke Van Lawick Van Pabststraat zien we onder andere twee Willem de Koonings, een Alexander Calder, schilderijen van Jan Cremer, Mark Brusse, Eduardo Arroyo, Breyten Breytenbach, Jan Henderikse, Man Ray, Marcel Broodthaers, Andy Warhol en Reinier Lucassen, Daan van Golden en een kop van Constant Permeke.

Ook in zijn atelier boven in het negentiende-eeuwse koethuis De Lichtenbeek hoeft Klaas maar om zich heen te kijken om los te branden met verhalen over de tientallen kunstwerken en dingen die hij daar om zich heen vergaard. Nog meer werk van Daan van Golden, een schilderijtje van schrijver en dichter Charles Bukowski, dierenportretten, foto’s, snuisterijen, bergen kwasten. En op de werktafels en tegen de muren overal doeken en beelden van zijn eigen hand

De opstelling daarvan kan van dag tot dag wisselen, overigens. Klaas heeft, wanneer hij ‘s ochtends zijn atelier binnenkomt, namelijk nog geen idee waardoor hij zich zal laten inspireren. Hij kan van alles aanpakken en tevoorschijn halen, zonder er vooraf zijn gedachten al over te hebben laten gaan. Opruimen, rommelen, schilderen, zagen, beeldhouwen – hij ziet wel. In zijn huishoudschort met een dessin van bloemen is hij op elke klus voorbereid.

Ateliermuur met midden-boven het schilderijtje van Charles Bukowski

‘Doodmoe was ik van mezelf’

Een enkele sculptuur staat al klaar om naar een volgende expositie te worden getransporteerd, de meeste andere beelden en doeken wachten nog op hun voltooiing. Sommige van die Unvollendeten kunnen daar gerust maanden, zo niet jaren op wachten. Klaas toont een oud boekje van een expositie in de Nijmeegse Studentenkerk. Er staat een afbeelding in van een tafel die hij in 1968 schilderde en werd verkocht aan ontwerper Leen Averink en zijn vrouw Neel. Zo eenvoudig als het meubelstuk in zwartwit op het doek lijkt aangebracht, zo veel paniek kwam er kijken bij het schilderen ervan.

Klaas, wijzend op een van de vier poten: ‘Dat onderste stukje, daar heb ik drie maanden op heb gezeten. Ik dorst dat ene lijntje gewoon niet door te trekken, het was heel gevoelig. Doodmoe was ik van mezelf. Zo’n verschrikkelijke calvinist ben ik dus. Doordat ik nou wat meer ervaring heb, durf ik het nu iets meer.’

Processed with VSCO with al5 preset

De twee stillevens met gitaar

Zijn oog valt op de twee doeken in het atelier met daarop vrijwel hetzelfde stilleven van een gitaar, een schaakbord, een fles en een krant – een voorstelling waartoe vriend en dichter K. Schippers hem ooit inspireerde. ‘Ik zal er in veertig jaar zo’n zeven varianten van hebben gemaakt, en nou ben ik weer begonnen aan twee nieuwe. Maar ja (stilte)… die schilderijen zijn tóch nog niet goed. Ik heb nu maar een gitaar op de rommelmarkt gekocht om te weten hoe zo’n ding eruitziet. Deze heb ik uit mijn hoofd gedaan en die zijn nog te primitief.’

Het grijze vlak van het schaakbord vindt hij bij nader inzien ook nog te donker. Klaas besluit er een lichtere toets overheen te zetten en er nog iets extra’s aan te voegen. ‘Het Engelse woord voor schaken. Ja, het gaat Chess heten.’

‘Ik deel een passie met Rembrandt’

Hij stelt het op prijs dat er iemand met hem meekijkt nu hij de huidige opstelling in zijn atelier weer eens aan een kritische blik onderwerpt. ‘Je moet mijn proces zien. Daarom laat ik alles staan en hangen. Ik wil dat je mij vraagt wat ik mijn beste werk vind. En omgekeerd wil ik erover leeglopen en er dan zo achter komen waaróm ik schilder en wat mijn richting daarin is. We kunnen bloedserieus praten.’

Wat vindt zijn bezoek bijvoorbeeld van de tweedimensionale stoel voor hem op een van de werktafels, of van de tuit van die koffiekan die als een soort academisch naakt over een sokkeltje ligt gedrapeerd? Het antwoord op de stoel bevalt hem: ‘Ik zie dat het net brons lijkt, nu jij dat hebt gezegd. En omdat ik me daarvoor openstel, vind ik dat ik heb gezien.’

Over die veel te schuine schenktuit van de koffiepot-allongé is daarentegen het laatste woord nog niet gesproken. ‘Die ligt hier al tien jaar. Ik heb er wel pas pootjes onder gemaakt. Hij lag altijd zonder pootjes.’

De zwarte koffiekannen: van verticaal naar horizontaal en nu ‘veel beter’.


– Maakt je dat kwaad, dat je er met een werk soms niet uitkomt?

‘Neuh, het ergert me niet. Ik ben juist blij dat het me nog opwindt. Die passie deel ik met Rembrandt. Taco Dibbets (directeur Rijksmuseum, red) had het laatst op tv over Rembrandts permanente hartstocht. Dat vond ik leuk om te horen. Want hoewel ik me niet met hem zou willen vergelijken – die deel ik met hem.’

– Wat kan er, na alle tafels en koffieketels die je hebt vereeuwigd, nog eigenlijk aan mislukken? 

‘Nou… mislukken. ik wil dat wat er in mijn kop zit ook op het doet komt. En als het niet gaat, probeer ik het weer opnieuw en opnieuw. Soms duurt het dagen, soms weken. Ik moet soms vijf schilderijen maken om tot één goed werk te komen.’

– Als het maken van kunst voor jou veelal strijd betekent, is het dan ook belangrijk dat je die uiteindelijk wint?

‘O nee, ik denk nooit aan winnen. Ik denk aan doen. Ik vind dat ik wat te vertellen heb, maar het komt er niet altijd uit. (Wijst weer naar schenktuit op een ander schilderij:) ‘Die tuit op zichzelf al, het is moeilijker dan ik had gedacht. Ik wil het minimale, het gewone, het saaie – en dat dat dan iets wordt. Het moet vanzelfsprekend zijn. Het moet kloppen. Het moet consequent zijn. Die tuit, ik heb er wel hónderden van gemaakt en geen één is er die echt spreekt. Die mijn tevredenheid heeft. Maar het moet vanzelf gaan. Je moet het niet forceren. Ik begin vaak genoeg maar met knoeien, in de hoop dat er wat ontstaat.’

Weg twijfels: ‘Ik vind die koffiekannen nu fántástisch’

Het kan in zo’n geval ook wel eens lekker meezitten. Zo verdwenen de twijfels die hij over een drie jaar oud doek met zwarte koffiekannen op een grijze achtergrond als bij toverslag toen hij het kortgeleden op de ezel van verticaal naar horizontaal draaide. Klaas: ‘Godverdomme, veel beter! Ik vind het nu fántástisch. Dus ik stel mezelf er ook voor open om iets nieuws te doen.’

– En dan schilder je die op zijn kant staande handtekening nog even over?

‘Nee, dat maakt niet uit. Die laat ik wel staan zo.’

‘Rode tweepoot, 2019’

Zijn aandacht richt zich vervolgens op het schilderijtje uit 1990 van een rood tweepoot-tafeltje op een zeegroene achtergrond. Klaas neemt er voor het eerst de term ‘lullig’ voor in de mond; voor hem het stempel voor ‘geslaagd’. ‘Kijk, dit is zo lullig geschilderd, ik zie dat ik puur met mijn gevoel bezig ben geweest. Zó zuiver geschilderd, en op een knoei-achtige manier ontstaan. Dus dát wil ik benaderen. Voor mij zijn dat geslaagde werken, ja. Als ik mijn hersens niet gebruik. Schilderijen met alleen maar lijntjes – daar zit ik zo op te zeiken. En dan ziet het er nog zo uit dat mensen denken dat het in vijf minuten gemaakt is.’

– Denk je dat?

‘Nee, dat weet ik zeker. Ik vind mijn schilderijen heel bijzonder, heel natuurlijk en heel persoonlijk. Maar dát slaan mensen wel eens over.’

– Heb je vaak met dat soort misverstanden te maken gehad?

‘Ja, natuurlijk. Er zijn mensen, die vinden het maar niks. Die vinden dat ik altijd hetzelfde maak. Komt ook doordat mijn schilderen op de grens van dat niks zitten.’ Maar, ho even, zijn beelden en doeken gaan niet over dat ‘niks’ van koffiekannen en tafels, ze gaan over het schilderen zelf. Ik wil buiten het illustratieve komen. Dat háát ik. Ik moet een werk verder kunnen brengen.’

‘De brand van Rotterdam’ in het Wally Elenbaas Museum

‘Iemand die iets te vertellen heeft, maakt altijd hetzelfde’

Een van zijn lijfspreuken, is die van de dichter August Willemsen: ‘Iemand die iets te vertellen heeft, maakt altijd hetzelfde. Iemand die niets te vertellen heeft, zegt altijd wat anders.’ Net zo op zijn werk van toepassing acht hij een uitspraak van Picasso: ‘Als er maar één waarheid bestond, zou men niet honderden verbeeldingen van hetzelfde thema kunnen schilderen.’

De monografie die Jan Brands en Kees Broos in 1997 aan zijn leven en werk wijdden, komt erbij. Op bladzijde 48 is het werk ‘Ja, Ketel’ uit 1993 afgedrukt. Over misverstanden gesproken. Klaas: ‘Dit is dus geen ketel, maar een zelfportret.’ En nu hij toch met dat boek voor zich zit, kan hij meteen ook wel laten zien wat hij zelf zijn beste werken vindt. Met een potlood begint hij punten uit te delen. Een 10 voor een tafel uit ca. 1965. Een 10 ook voor ‘Plompverloren’ uit ’69, en nog eens het hoogste cijfer voor ‘Contorsioniste’ uit 1982-’83.

Het brengt het gesprek op de ontvangst van zijn enorme oeuvre in de professionele kunstwereld. In retrospectief kijkt hij met gemengde gevoelens terug op de waardering ervoor door de beroepsgroep van critici, galeriehouders en museumdirecteuren. ‘Ik vind mezelf een betere kunstenaar dan er met mij is omgegaan. Echt.’

– Hoe is er dan met jou omgegaan?

‘Ze hadden mij eigenlijk eens moeten vragen voor een tentoonstelling in Boijmans. Ik had ook in het Stedelijk wel iets gewild. Maar ik weet óók, en dat zei ik ook tegen mijn studenten: elke kunstenaar voelt zich miskend. Dat is nou eenmaal zo. Je bent met jezelf bezig, je wil bekender zijn dan het is.’

‘Ik dacht in Parijs: ik doe dat niet meer’

Hij rekent zich dat veronderstelde tekort aan erkenning ook zelf aan. ‘Ik heb het naar buiten toe niet uitgebuit. Mijn eigen schuld, ik had alles op alles moeten zetten. Niet moeten denken dat het vanzelf wel goed zou komen. Ik had al vroeg een tentoonstelling in Parijs, en ik kreeg er ook een atelier aangeboden. Maar omdat ik de taal niet sprak, ben ik er niet op ingegaan. Dat je geen Frans spreekt, is een handicap. Ik had er een hekel aan om met galeriehouders in een restaurant te zitten en dan te moeten praten. Ik dacht in Parijs: ik doe dat niet meer. Ik heb nooit mijn hersens gebruikt. Stom, stóm. Allemaal geestelijke luiheid.

Wat hem achteraf eveneens spijt heeft bezorgd, was zijn gewoonte om zijn beste werk vaak voor kopers verborgen te houden. Klaas: ‘Kwam Edy de Wilde (oud-directeur Stedelijk Museum, red.) of Wim Beeren (oud-directeur van respectievelijk Boijmans Van Beuningen en Stedelijk Museum, red.) hier op het atelier en dan ik zorgde ik er dus wel voor dat ze dat niet te zien kregen. Verbeeld je dat ze juist die willen hebben, dacht ik, dan ben ik ze kwijt. Ik kon niet zonder die schilderijen, die had ik nodig om verder te werken. Ik ben daar heel naïef in geweest. Het stomste wat ik ooit heb gedaan. Nee, ik ben niet goed in het bewaken van mijn marktwaarde. Een sufferd. Slordig.’

Genoeg dan weer over zaken die hem in zijn toch alleszins tot de verbeelding sprekende kunstenaarsloopbaan zouden hebben tegengezeten. Diezelfde Wim Beeren bracht bij zijn visites aan De Lichtenbeek steeds wel mooi een fles Poire William voor hem mee, en de herinnering eraan maakt dat Klaas onmiddellijk van zijn stoel opveert. Er moet toch ten minste een of twee ‘hoerenglaasjes’, die met zo’n dikke glazen bodem, van deze ‘godendrank’ op geklonken worden.

‘Het leven is te kort om alles te schilderen wat ik nou zie’

Al gauw zindert het in het atelier weer van Gubbeliaans elan: ‘Nee joh, ik heb een heerlijk vak. Ik heb het geluk dat ik me van alles kan permitteren.’ Klaas vertelt over het gevoel van vrijheid dat hem overviel toen hij ontdekte dat hij ook buiten de beschermende muren van zijn atelier en zijn woonhuis kon schilderen.

‘Tegenwoordig kan ik het ook in hotels. Gaan we op vakantie,  heb ik een klein aquareldoosje en een kratje met twaalf doekjes bij me en ga ik lekker op de grond van een kamer of onder zo’n gordijn zitten knoeien. Uitzicht op de palmbomen en de Middellandse Zee, en met een zwembad voor je snufferd. Die drang om te werken, om me te uiten, is onverminderd. Ik las ooit Het Vijfde Zegel van Vestdijk. Hij beschrijft erin hoe Rembrandt ergens een deur opent om naar buiten te kijken en dan zegt: “Het leven is te kort om alles te schilderen wat ik nou zie.” Ik heb het boek als kind gelezen, maar die regel vergeet ik nooit.

Gubbels’ leesplankje uit 1964

‘Ik ben blij dat ik iets doe wat ik wil en kan. En ik heb het geluk dat ik dat beheers. En ik heb tegelijk het geluk dat ik niet te veel techniek heb. Ik teken te slecht, en dus moet ik vechten.’ Niet erg: al als docent op de Rotterdamse kunstacademie stelde hij vast dat de grootste talenten het alsnog afleggen tegen de doorbijters, de kunstenaars die moeten knoesten. Klaas onderschrijft ook nu nog wat hij er ooit in een artikel over te berde bracht: ‘Iemand riep: je moet gaan schilderen, dus ben ik gaan schilderen. Wat natuurlijk erg leuk was, maar de zondagsschilders zullen toch wel wat meer lol hebben.”‘

– Je hebt ook wel geschreven. De correspondentie die je met boezemvriend Cherry Duyns (ex-programmamaker VPRO, red.) voerde, is gepubliceerd. Wat heeft de pen je gebracht?

‘Cherry heeft me tot schrijven gedwongen, en dat is me een beetje gelukt. Ik heb veel waarover ik nog zou willen schrijven, bang dat ik het anders vergeet.’ In de agenda die voor hem ligt, bladert Klaas naar de laatste pagina. In zijn kenmerkende handschrift daarop staan enkele van zijn belangrijkste levensfeiten en onvergetelijke gebeurtenissen genoteerd:

Akademie 52-58
1993 New York
Bijenkorf 1951 april maart
1961 Monk Chanowsky studio
Louis Armstrong 59
Jazzpreis 2 mei 1957
Anton Koolhaas vanwege een tere huid

en zo nog een paar van zulke geheugensteuntjes.

‘Ik moet maar eens een boek gaan schrijven. Ja, dat moet ik doen. Dat moet ik écht doen. De titel bedenk ik nu hier ter plekke. ‘Dagboek achteraf’. Geweldig!

Waarna Klaas, vindt ie, voor dit moment alles wel zo’n beetje heeft gezegd. ‘Ik ben leeggelopen. Ik heb overdreven. Ik heb mijn ei gelegd.’

Tijd voor nog een borreltje Poire William. En eindelijk komt hij er nu dan ook aan toe om de Boogie Woogie’s uit de persoonlijke platencollectie van Piet Mondriaan voor zijn bezoek te draaien. ‘Hoor je dit? Jongen, is het niet fan-tas-tisch?!’

Het Wally Elenbaas Museum is gehuisvest in Verhalenhuis Belvédère, Rechthuislaan 1, Rotterdam. Voor meer informatie over de exposities en bijzondere uitgaven van Klaas Gubbels in 2019 kun je terecht bij Galerie Ouwens: www.christianouwens.nl. Voor meer informatie over de tentoonstelling in Walgenbach Art & Books: www.walgenbach.nl